Auction status
User login
Catalogue

  Find us on Facebook


" de Oostendse Compagnie - Generale Keizerlijke en Koninklijke Indische Compagnie , maps, prints, atlases, original, antique, old, auctions, globes, medieval manuscripts, collectables, prints, landkarten, land kaarten, carte, antique maps, county, cartography, America, Asia, Africa, Netherlands, prenten, Paulus, Swaen, dealer, Ortelius, Blaeu">

De Oostendse Companie (1722-1731)

English text version.

De onderlinge concurrentie met de VOC - Aandeel van de Oostendse Compagnie te koop.


De Generale Keizerlijke en Koninklijke Indische Compagnie

Oostendse Compagnie

De Oostendse Compagnie, de gebruikelijke benaming voor de Generale Keizerlijke en Koninklijke Indische Compagnie (Compagnie Générale Impériale et Royale des Indes) werd gesticht op 19 december 1722. De zetel van de Compagnie was gevestigd in de Beurs te Antwerpen, waaruit tweederde van de inschrijvingen afkomstig was. De veilingen van de aangevoerde goederen werden te Oostende en Brugge gehouden. De vergaderingen van de directuren moesten de eerste drie jaar worden gehouden te Antwerpen, de volgende jaren te Brugge of te Gent. Het kapitaal van de Compagnie was vastgesteld op 6 Miljoen gulden te verdelen over 6.000 aandelen van ieder 1.000 gulden. Op 1 september 1723 werd gestart met de intekening op de aandelen welke in anderhalve dag opgenomen werden door zakenlieden, edellieden en regeringsambtenaren.

Aangezien de compagnie zeer succesvol was werden de aandelen slechts voor 75% volgestort en bedroeg het bedrijfskapitaal 4.500.000 gulden. De eerste zitting van de directie had plaats te Antwerpen op 6 oktober 1723. De eerste vier schepen van de Compagnie voeren van Oostende uit op 10 februari 1724; twee waren bestemd voor China, één voor Bengalen en één voor Mekka. Weldra werden ook factorijen opgericht in Banquibazar en in Bhourompour.

Het octrooi werd op 31 mei 1727 door het Preliminair Verdrag van Parijs voor de duur van zeven jaar geschorst. De genadeslag kwam tenslotte op 16 maart 1731, toen de Oostendse Compagnie definitief verboden werd door het tweede Verdrag van Wenen. Niettemin duurde haar activiteit voort tot in 1777. De terugstorting van het kapitaal was reeds grotendeels in 1737 voltooid. De eindafrekening leverde 7.500.000 gulden zuivere winst op of 166% van het beginkapitaal.

De handelsactiviteiten richtten zich op twee gebieden: China en Bengalen, waarbij de Chinahandel de belangrijkste was. De Oostendse Compagnie was de eerste van het West-Europese vasteland die zich volledig toelegde op de handel met Kanton. De heenlading van de compagnieschepen bestond meestal uit zilverpiasters en lood als scheepsballast. De retourladingen bestonden uit zwarte Boelthee, zijden stoffen uit Nanking, porselein en chinoiserieén.

 

De onderlinge concurrentie met de VOC.

Met betrekking tot de theehandel heeft de Oostendse Compagnie de VOC ver achter zich gelaten. Zij kocht te Kanton de betere soorten op, de tweede keus werd naar Batavia verscheept, waarbij bovendien door slechtere verpakkingen en extra overladen de kwaliteit nog verder werd geschaad. De aanvoer van thee te Oostende was dan ook zeer belangrijk: tussen 1725-28 werd te Oostende 58% van de aanvoer van thee in West-Europa geveild. De VOC kwam nooit verder dan een marktaandeel van 13%. De gemiddelde winstmarge van de Chinahandel van de Oostendse Compagnie bedroeg 158%, wat aanmerkelijk beter was dan de rendementen die door buitenlandse compagnieën werden gerealiseerd.

De grote winsten die de Oostendse Compagnie maakte lokten hevig verzet uit van de Nederlandse regering en de Verenigde Oostindische Compagnie, maar ook van de Engelsen. De scheepvaart vanuit Oostende 'omzeilde' nl. één van de belangrijkste bepalingen van het Verdrag van Munster (1648) en van het barriè re-traktaat, nl. het lamleggen van de Belgische overzeese handel en zeevaart. Als gevolg van een verdrag voor bijstand en handel afgesloten tussen Spanje en Oostenrijk (1725) voelde zowel Engeland als Pruisen en Frankrijk zich bedreigd en sloten deze staten het Verdrag van Herrenhausen. Nederland trad pas in 1727 toe op voorwaarde dat de Alliantie zou helpen om de activiteiten van de Oostendse Compagnie te doen beëindigen.

 

Vele plagerijen en gewelddadige incidenten hebben zich tussen de beide concurrenten voorgedaan. Zo sneuvelde o.a. de eerste Belgische gouverneur van de factorijen in Cabalon (1719) en Bengalen (1720), Jacques André Cobbé, bij de verdediging van de laatste factorij in 1724. Teneinde het aanwerven van bemanningen in Nederland te beletten - de Vlamingen en Brabanders konden namelijk voor hun Indische vaart de hulp van Nederlandse en Engelse matrozen niet ontberen - vernieuwden de Staten-Generaal in 1717 het van ouds geldende, verbod, dat geen onderdanen van de Republiek in vreemde dienst op Oost Indié mochten varen. Overtreders die hier of in Indië aan boord van vreemde Oost-Indiënvaarders aangetroffen werden, zouden dit met de dood moeten bekopen. Het verhandelen van goederen, of het ontvangen van commissies op Oostendse goederen werd beboet met verbeurdverklaring, 1000 gulden boete en gevangenisstraf.

Toen bleek dat ondanks deze verordening vele Nederlanders dienst namen in de Oostendse Compagnie, kondigden de Staten-Generaal in 1723 een nieuw plakaat af en voegden 'openbare geeseling' hieraan toe. Tevens werd het Nederlanders verboden in commissie schepen voor de Oostendenaren te huren, aankopen of uitterusten, op straffe dat de schepen met inhoud ten bate van de VOC zouden worden verbeurd verklaard, en dat een boete ter hoogte van vier maal de waarde van het geconfiskeerde schip werd geheven. Het bezitten van aandelen in de Oostendse Compagnie werd eveneens bestraft met verbeurdverklaring en boete ter grootte van het viervoud van de inleg.

Het bezitten van dit aandeel was ten tijde van uitgifte in 1724, voor een Nederlander een riskante zaak!

 

Aandeel van de Oostendse Compagnie te koop.

Aandeel
van de Oostendse Compagnie te koop

Zeer zeldzaam aandeel van de Ostendse Companie. Kopergravure en handschrift op paper. 320x200mm. Linker bovenhoek met aandeel nummer in manuscript. In het hoofd embleem van de company in kopergravure.

Text: "De Directeurs van de generale Keijserlijche- Indische compagnie, ordoneren aen hunnen cassier 'joan Bapfist Cogels junior, te ontvangen van De Heer Ferdinand Anthoin Baron de Veecquemans te Antwerpen de somme van tweehondert en vijftigh guldens wisselgeldt, voor het eerste payement sijnder actie van een duijsent guldens in het Capitael van de Selve compagnie, op de conditien in het Octroij breeder vermeldt, stellen de quitanfie hier onder, actum in Antwerpen derthien augustus seventhienhondert dry en twintigh.

Ontvangen van De Heer Ferdinand Anthoin Baron de Veecquemans de somme van tweehondert vijftigh guldens wissel gelt voor het eerste paijment ady primo (1) september 1723 (signatuur) Solvit als boven het tweede payement 16 december 1723 (signatuur) Solvit als boven d helft van het derde payement 22: November 1724 (signatuur) Solvit als boven de heffi van het derde payement 3 July 1725. -"

Aandeel ten name van de heer Ferdinand Anthoin Baron de Veecquemans uit Antwerpen. Volgens het aandelen register Gemeente Archief Antwerpen) was Ferdinand Anthoin Baron de Veecquemans een van de grootste aandelen bezitters, hij bezat destijds 100 aandelen.

Prijs: US $. 1,250.00

Referenties: K.Degryse, in Spiegel Historiaal, 1973112; J.Landwehr, VOC, page 14-46; N.Laude, La Compagnie d'Ostende et son activité commerciale au Bengale, 1725-1730; E.Stols, A companhia de Ostende e os Portos Brazileiris. In: Estudos Hist.S; P.Vandewalle, Oostende ten tijde van de Oostendse Compagnie, in: Oostende kruispunt van Europa, een koningklijke stad.

 



Go to Top

Author: Paulus Swaen ©2017